Rigoberto Uran bijna verkast deze zomer

Rigoberto Uran tekende deze zomer bijna een nieuw contract bij Sky. Zijn huidige ploeg Cannondale-Drapac vond echter maar net op tijd een nieuwe sponsor om het voortbestaan van de ploeg te garanderen. Bijna hadden 70 mensen van de ploeg hun baan verloren. Toch is er sinds zijn tweede plek in de Tour de France weinig veranderd voor de Colombiaan. “Alles is hetzelfde, al krijg ik wel meer media-aandacht. Dat zeker. Of ik win of verlies maakt verder niks uit. Ik ben verantwoordelijk voor wat ik doe, tuurlijk. Maar als je hard traint, voor jezelf zorgt en het lukt niet, dan kan je niet gefrustreerd raken. Dan verlies je het plezier in de wedstrijden.”

Vijftien dagen lang leefde Uran in onzekerheid over het voortbestaan van zijn ploeg Cannondale-Drapac. Nadat hij het nieuws hoorde was hij vijf minuten in shock, “Ik kon mijn voeten niet voelen. Ik vond het vooral zo pijnlijk net na het goede jaar dat we hadden beleefd. Om mijn eigen contract maakte ik me geen zorgen, wel om die van de andere 70 mensen betrokken bij de ploeg.”

Hij kreeg veel verschillende aanbiedingen van andere ploegen in die periode, waaronder Sky die de meest serieuze optie bood. Toch wilde Uran vijftien dagen wachten met een nieuw contract te tekenen, omdat de Colombiaan natuurlijk het uithangbord is van de ploeg om een nieuwe sponsor te vinden. “Ik vind het jammer dat er een aantal teamgenoten weg zijn gegaan. Het was een goede groep. Maar ik begrijp het ook wel”

Uran geeft aan dat er veel is veranderd sinds hij zijn profcarrière begon. “Er is heel veel veranderd, met name het respect in het peloton is weg. Die interne code in het peloton waar iedereen een status heeft, is er niet meer. In 2005 was het nog ondenkbaar om je op een plek in het peloton te bevinden waar je niet behoorde. Ook de rol van de knechten zijn veel veranderd. “De pure knechten zoals ik ze heb leren kennen bestaan gewoon niet meer. Ploegen willen alleen nog maar renners die knechten en tussendoor zelf wat goede resultaten behalen. Kijk maar naar Michal Kwiatkowski.”